Patiënten » Veel gestelde vragen

U kunt een afspraak op 2 manier maken:

telefonisch (+32 9 332 31 39) (maandag – vrijdag: 8h – 12h en 13h en 16h30):

Het is belangrijk dat u aangeeft of een reeds een voorgeschiendenis hebt van fertiliteitsbehandeling en de welke deze waren. Indien u doorverwezen bent door uw huisarts of gynaecoloog, gelieve dat ook aan te geven en de eventuele verwijsbrief door te sturen of mee te brengen.

Opgelet: ons centrum is in het weekend en op  feestdagen enkel telefonisch bereikbaar tussen 11h-13h

Reglementaire feestdagen 2013:

donderdag 9 mei

maandag 20 mei

donderdag 11 juli

donderdag 15 augustus

vrijdag 1 november

maandag 11 november

vrijdag 15 november

woensdag 25 december

of

via mail (ARG@UZGent.Be):

Maakt u via mail een afspraak, dan gaat het vlot als u volgende items aangeeft:

1) uw naam (meisjesnaam) en voornaam – geboortedatum – telefoonnr waarop u bereikbaar bent.

2) indien van toepassing naam en voornaam – geboortedatum van uw partner

3) indien van toepassing: voorgeschiedenis fertiliteitsbehandeling(en) (type (inseminatie, IVF) – resultaat – centrum waar behandeling heeft plaatsgevonden).

4) indien van toepassing: naam doorverwijzende arts

5) uw specifiek vraag of opmerking

Als u een afspraak gekregen hebt voor een intake gesprek, dan is noodzakelijk dat u de resultaten van voorgaande behandelingen (indien IVF behandeling, preferentieel een uitgebreide samenvatting met de kwaliteit van de embryo’s); eventuele verwijsbrieven en nuttig medische informatie met u meebrengt

De bedoeling van de pil is uiteraard niet anticonceptie, maar het stilleggen van de eierstokken. Als een vrouw gedurende minstens veertien dagen de pil neemt zullen de eierstokken volledig inactief zijn. Het gevolg is dat de daaropvolgende stimulatie beter en meer synchroon zal verlopen, en vooral dat er geen restcysten aanwezig zullen zijn bij de start van deze stimulatie (eventuele overblijfsels van een vorige eisprong die er omwille van de pil nu immers niet is geweest). Het gebruik van de pil laat ook toe aan het koppel de behandeling op voorhand te plannen.

Door het starten van de pil op de eerste dag van de menstruatie kan het zijn dat deze menstruatie langer blijft aanslepen en dat er eventueel zelfs blijvend bloedverlies optreedt. Dit komt omdat het slijmvlies binnenin de baarmoeder niet goed opgroeit, maar dat is op dat moment van de behandeling onbelangrijk. Het enige dat telt, is dat de eierstokken onderdrukt blijven. Dit bloedverlies is niet comfortabel, maar verder volledig onschadelijk. Het gebruik van de pil mag in geen geval gestopt worden.

FSH is een natuurlijk hormoon, dat door de vrouw zelf in de natuurlijke cyclus wordt geproduceerd. Natuurlijk worden in IVF-cycli hogere doses toegediend, maar men kan aannemen dat de hormonen zelf veilig zijn. De eventuele nevenwerkingen van deze hormonen zijn enkel het gevolg van de reactie van de eierstokken.

Die gevolgen hangen sterk samen met het antwoord dat de vrouw heeft op de stimulatie, met andere woorden van het aantal follikels dat ze ontwikkelt en de stijging van het oestradiol (het vrouwelijk hormoon dat door de follikel wordt aangemaakt) dat daarmee gepaard gaat. Als een vrouw te sterk reageert op de inspuitingen, ontstaat een risico op het hyperstimulatiesyndroom.

Dit houdt in dat meer dan 25-40 follikels gaan groeien en dat heeft als gevolg dat de eierstokken sterk in volume zullen toenemen en vocht aantrekken. Vooral na de eicelpunctie zal dat voor buiklast zorgen. In ernstige gevallen moet de vrouw ter observatie opgenomen worden in het ziekenhuis. Indien het hyperstimulatiesyndroom goed wordt opgevolgd en behandeld, houdt het in principe geen ernstige risico’s voor de gezondheid van de vrouw in, maar het kan wel voor heel wat ongemakken zorgen.

Voor zover we vandaag weten is het risico van allerhande vormen van kanker niet toegenomen na IVF-stimulaties. Er gebeurt nog steeds onderzoek. Verschillende studies durven elkaar wel eens tegenspreken, maar men neemt aan dat het risico van borstkanker niet is toegenomen ten gevolge van stimulaties. Wel is het zo dat kinderloosheid zelf evenals een meer gevorderde leeftijd bij de eerste zwangerschap risicofactoren zijn voor borstkanker.Voor eierstokken liggen de zaken gelijkaardig.

Men weet al lang dat zwangerschappen en pilgebruik beschermen tegen eierstokkanker. Vrouwen die te kampen hebben met onvruchtbaarheidsprobleem en daarom IVF nodig hebben, zullen in principe deze bescherming niet genieten en hebben dus een verhoogd risico op eierstokkanker.

Dit staat los van eventuele stimulaties die ze hebben gehad. Het is dus de onvruchtbaarheid zelf die het risico bepaalt.In tegenstelling tot borstkanker is eierstokkanker een vrij zeldzame vorm van kanker en een toename van het risico vertaalt zich toch nog in een heel klein aantal gevallen per jaar. Men kan eventueel het advies geven om jaarlijks een gynaecologische controle te laten uitvoeren, vooral na de menopauze, met inbegrip van een transvaginale echografie, om eventuele vroege veranderingen ter hoogte van de eierstokken snel op te sporen.

Elke maand komt normaal één eicel tot ontwikkeling en tot een eisprong. Door een stimulatie worden er dat vaak een tiental. Het is echter belangrijk te beseffen dat al deze eicellen ook zonder stimulatie die maand voorbestemd waren om verloren te gaan. Anders gezegd, elke maand gaan bij elke vrouw verschillende eicellen verloren, slechts één bereikt de eisprong, en het effect van de stimulatie is enkel dat we nu al die eicellen zullen “redden” en kunnen gebruiken.

Dit houdt in dat stimulaties het tijdstip van de menopauze niet vervroegen en dat ze ook de eierstokken niet vroegtijdig uitputten. Dit verklaart ook waarom het antwoord op de stimulatie per vrouw zo verschillend kan zijn.

Elke vrouw beschikt immers over een bepaalde maandelijkse reserve aan eicellen die we kunnen aanspreken, maar eicellen doen ontwikkelen die er niet klaar zitten, is onmogelijk.

Een zwangerschap kan maar ontstaan als aan een aantal voorwaarden is voldaan: goede embryo’s moeten op het juiste moment op de goede plaats terechtkomen. Wij kunnen met de behandeling zorgen voor het juiste moment en meestal ook voor de goede plaats (het baarmoederslijmvlies wordt door medicijnen verder ondersteund), maar de goede embryo’s, dat is een andere zaak. Waarschijnlijk treden in de meerderheid van de embryo’s tijdens de eerste celdelingen fouten op, zodat de dochtercellen niet meer in staat zijn om zich te handhaven en afsterven.

Dit fenomeen is blijkbaar eigen aan de menselijke voortplanting vermits ook in de natuur naar schatting slechts één op drie bevruchte eicellen aanleiding geeft tot een zwangerschap.

Enkele dagen na de bevruchting, op het ogenblik dat de embryo’s in de baarmoeder worden gebracht, kunnen de embryo’s er “mooi” uitzien -dit wil zeggen zonder veel verbrokkeling- , maar toch verloren gaan in de komende dagen. Eigenlijk is dit een vorm van natuurlijke selectie, waarbij alles wat abnormaal evolueert geëlimineerd wordt.

Hoewel de kans op zwangerschap na terugplaatsen van twee goede embryo’s (of zelfs soms maar één) 30 tot 40% bedraagt, is het niet te voorspellen bij wie zwangerschap zal optreden. Eigenlijk gaat het gedeeltelijk om een “kansspel”. Puur statistisch gezien moet tweederde van de vrouwen binnen de eerste drie behandelingspogingen een zwangerschap bekomen hebben. Dat wordt ook bevestigd door de resultaten in ons centrum.

Wanneer het embryo of de embryo’s in de baarmoederholte zijn teruggeplaatst, bevinden ze zich op de voor hen zo veilig mogelijke plaats. Ze zijn piepklein (0,1 mm doorsnede) en kleven in de plooien van de baarmoederholte. Deze wanden raken elkaar (de baarmoederholte is een virtuele ruimte), zodat de embryo’s er niet kunnen uitvallen. Rusten of platliggen is dus helemaal niet nodig. Net zoals in de normale cyclus waar een vrouw het niet eens weet wanneer een embryo in haar baarmoeder aanwezig is, mag de patiënte gewoonweg alles doen na een terugplaatsing. Sporten, zwemmen, reizen en werken, is allemaal toegestaan.

Dit is een complexe vraag.

A. Je hebt enerzijds het probleem van de meerlingen die kunnen ontstaan na vruchtbaarheidsbehandelingen (zowel na stimulaties, inseminaties, IVF als ICSI). Tweelingen en drielingen worden gemiddeld vroeger geboren en dit geeft problemen van prematuriteit met eventuele gevolgen voor de gezondheid van de kinderen. Dit staat los van intrinsieke risico’s van de behandeling zelf, want de gevaren van meerlingzwangerschappen na behandeling zijn exact dezelfde als bij spontaan ontstane meerlingen. In elk geval wordt er heel wat werk geleverd om meerlingen te voorkomen, hoewel veel koppels en artsen er moeilijk van te overtuigen zijn dat een tweeling geen succes betekent.

B. Ten tweede heeft men het risico dat een probleem van onvruchtbaarheid doorgegeven wordt naar de volgende generatie. Zoals iemand met suikerziekte een verhoogd risico heeft dat zijn/haar kind ook suikerziekte zal ontwikkelen, zijn er koppels waar de onvruchtbaarheid erfelijk bepaald wordt, en deze kan dan ook doorgegeven worden. Met name bij de mannelijke onvruchtbaarheid zijn er stoornissen gekend die erfelijkbepaald en gebonden zijn aan het Y-chromosoom.

Dit betekent dat dergelijke koppels een verhoogde kans hebben op een zoon die zelf later een onvruchtbaarheidsprobleem zal hebben. Het gaat hier enkel over onvruchtbaarheid en niet over andere handicaps. Wij menen dat het belangrijk is dat het koppel hierover geïnformeerd wordt en zich kan laten testen indien ze dat wensen, en finaal zelf een gewogen beslissing nemen betreffende hun kinderwens.

C. Ten slotte wordt vaak de vraag gesteld of het gebruik van ICSI zelf een verhoogd risico inhoudt op één of andere afwijking. Wat betreft niet-chromosomale afwijkingen (bv. hartafwijkingen, open rug enz.) is het aantal volledig vergelijkbaar met wat geobserveerd wordt na IVF of na spontane zwangerschappen. Bij extreme vormen van mannelijke onvruchtbaarheid blijkt er een lichte toename te zijn van chromosomale afwijkingen, te wijten aan afwijkingen in de zaadcellen, doch de frequentie bedraagt minder dan 1%. Bij koppels met extreem slecht sperma kan daarom nog steeds een vruchtwaterpunctie worden overwogen.

Ja, dat mag, als u er ten minste zin in hebt! Vrijen na een intra-uteriene inseminatie of na de terugplaatsing van een embryo kan geen kwaad. U mag ook werken, sporten, heffen en tillen. U mag dus eigenlijk alles, we vragen u alleen om omwille van een mogelijke zwangerschap voorzichtig te zijn met alcohol, roken, medicijnen en röntgenstralen.

We raden u af om op de dag van de punctie te werken. Na een punctie (zeker onder algemene verdoving) hebt u medicijnen gekregen die de rijvaardigheid beïnvloeden. Die dag mag u dus ook niet zelf met de auto rijden. Vrijen mag in principe wel na de punctie, tenzij de arts dit afraadt. Gedurende een drietal dagen vóór de inseminatie of de eicelpunctie is het beter om niet te vrijen.

Het sperma dat men die dag moet “produceren” (tenzij er sperma ingevroren is) zal dan van betere kwaliteit zijn. Gedurende de andere dagen van de behandelingscyclus, vóór of na de inseminatie of de terugplaatsing, mag er dan weer wel gevreeën worden.

In theorie staat er geen beperking op het aantal behandelingen dat men kan ondergaan. In de praktijk zal het antwoord op die vraag afhangen van de emotionele en financiële draagkracht van het koppel, de intensiteit van hun kinderwens en anderzijds ook van de vooruitzichten op een succesvolle behandeling.

Factoren die de kans op succes beïnvloeden, zijn de leeftijd van de vrouw, het aantal eicellen dat kan geproduceerd worden, de kwaliteit van de embryo’s en ten slotte de aanwezigheid van gynaecologische afwijkingen of nog ten dele ongekende omstandigheden die de vruchtbaarheid kunnen verminderen.

Het is realistisch om bij de start van IVF minstens drie behandelingen te voorzien. Als er geen ongunstige factoren aanwezig zijn, is de kans op slagen binnen de drie cycli ongeveer 75%. Na drie mislukte pogingen is het nuttig om de stand van zaken en de prognose voor een verdere behandeling te bespreken met uw arts om op grond van de vooruitzichten een beslissing te nemen.

Alhoewel het doorzettingsvermogen van een koppel soms wordt beloond en zwangerschap optreedt bij de 5de of zelfs de 10de poging, moet men anderzijds ook het falen van de behandeling kunnen aanvaarden.

Tussen twee behandelingen moet er minstens één cyclus verlopen om de eierstokken tot rust te laten komen. Omdat men in ons centrum vóór de behandeling ook minstens twee weken een oraal anticonceptivum moet nemen zal het interval tussen twee behandelingen minstens drie maanden bedragen.

Ja, tijdens de behandeling is dit geen probleem; u dient wel arts op de hoogte te brengen van uw behandeling omdat u mogelijks meer kans maakt op nabloeding.

Na een embryotransfer kan een tandextractie ook, maar ook dan dient u de arts op de hoogte te brengen dat u mogelijks zwanger bent, de dokter zal dan eventueel een ander soort verdoving geven (xylocaïne zonder adrenaline) en hij/zij moet er op attent gemaakt worden omdat u meer kans maakt op nabloeden.